Depolitisering van de Frankfurter Schule  

De grote mannen van de Frankfurter Schule hebben hun best gedaan de rol van stichter en financier Felix Weil te depolitiseren. Aldus Jeanette Erazo Heufelder, auteur van Der argentinische Krösus, Kleine Wirtschafsgeschichte der Frankfurter Schule.  In Duitsland is haar boek een hot issue. Recensenten zijn explicieter dan de auteur: ‘De in de literatur gebruikelijke bewering dat Horkheimer erin slaagde in 1933 het stichtingsvermogen van het Institut in veligheid te breengen, is een eufemisme dat aan cynisme grenst’, aldus Rudolf Walther in de Suddeutsche Zeitung. Friedrich Pollock riep in de jaren zeventig zichzelf uit tot initiator van het Institut. Hij beperkte de rol van Felix Weil tot financier. Iedereen met geld had dat gekund, toch? Hij wilde graag vergeten dat Felix Weil in 1924 de oprichter én financier was van een onafhankelijk marxistisch onderzoekinstituut, aldus Ulrich Rüdenauer voor de Deutschlandfunk. Naarmate de ‘kritische theorie’ zich van haar oorspronkelijke grondslag losmaakte, werd Felix Weil steeds meer het slechte geweten van de Frankfurters. Ze wilden niet herinnerd worden aan hun revolutionaire verleden. Ze censureerden zijn optreden.

Oorlogseconomie
Felix Weil (1898-1975) was de zoon van de naar Argentinië geëmigreerde joodse graanhandelaar en multimillionair Hermann Weil. Hij groeide op in Argentinië, maar in 1907 stuurde zijn vader hem naar Frankfurt voor een opleiding op het Goethe-gymnasium. Hermann Weil en diens zieke echtgenote volgden in 1908. In de Wereldoorlog werd Hermann Weil adviseur van het Duitse leger. Zoon Felix - voorbestemd hem op te volgen als directeur van het graanhandelbedrijf Hermanos Weil & Cia -  mocht hem vergezellen bij een bezoek aan de Duitse keizer. Hij maakte van dichtbij mee hoe de oorlogseconomie de ‘wetten’ van de vrije markt terzijde stelde. In november 1918, na de proklamatie van de Hessische Republiek, deed hij mee aan de bestorming van een munitiedepot. Zijn tekort aan militaire ervaring konpenseerde hij door zijn organisatietalent. Hij kreeg van de nieuwe politiechef, de sociaal-demokratische advocaat Hugo Sinzheimer, de leiding van een arbeidersmilitie. Onder indruk van het revolutionaire gebeuren las hij het sociaal-democratische Erfurter Programm. In één korte, slapeloze en doorwoelde nacht onderging hij een paulinische wending: hij realiseerde hij zich dat hij zijn hele leven al socialist was geweest. Hij promoveerde in 1921 op het thema Sozialisierung. Hij leidde een dubbelleven: hij was de miljonairszoon die leiding gaf aan de graanhandel en zich in gegoede kringen bewoog, maar ook de man die de linkse beweging steunde.

Stuwende kracht
Felix Weil was onafhankelijk, ook in partijpolitiek opzicht. In 1921 was hij met een dubbele boodschap op huwelijksreis in Argentinië geweest. Hij had zijn vader beloofd op te treden als directeur van de graanhandelsfima, maar had ook de opdracht bij zich van Komintern-gedelegeerde Sinovjef. Daar leerde hij dat de instructies van de Communistische Internationale – het drukken van Lenin-brochures – haaks stonden op wat hij zelf mogelijk achtte met een grotendeels anafabete bevolking. Hij werd voorstander van ‘Freiheit von Lehre und Forschung’. Zijn activiteiten hielden meer in dan de oprichting van het Institut für Sozialforschung. Hij hielp in de jaren twintig kommunistische vrienden, socialistische geleerden, linkse theatermakers, uitgevers en kunstenaars, nam de Malik-Verlag over, ondersteunde Georg Grosz en John Heartfield en financierde de film Panzerkeuzer Potemkin van Eisenstein. Hij organiseerde in 1923 de EMA, de Erste Marxistische Arbeitswoche en bracht daarvoor talenten als Georg Lukács, Karl Korsch, Friedrich Pollock, Richard Sorge en Karl August Wittfogel bij elkaar. Daar lanceerde hij het idee van een autonoom marxistisch onderzoeksinstiut. Felix Weil investeerde in de loop der jaren (omgerekend in de waarde van nu) zestig miljoen dollar in het Institut. De verbinding met de Universiteit van Frankfurt getuigt van zijn diplomatieke vaardigheden. Hij was de stuwende kracht achter het MEGA-project, de nagestreefde komplete uitgave van de Marx-Engels Werke. Hij balanceerde tussen de Duitse SPD (eigenaar van de archiefstukken) en het Moskause Marx-Engels Institut van Rjazanov. Daar kwam een eind aan toen de Communistische Internationale in 1928 de sociaal-democratie tot sociaal-fascisten  bombardeerde.

Rotterdam
Rotterdam blijkt een cruciale schakel in het activiteiten van de familiale graanhandel. Maandelijks liet Hermann Weil zich met een Mercedes van Frankfurt naar Rotterdam rijden voor overleg met de directeur van Hermanos Weil & Cia, Julius Flegenheimer. Later is het Felix Weil die deze reizen maakt. In de raad van commissarisen van Malik Verlag liet Felix Weil zich vertegenwoordigen door de Nederlander  F.W. Kools, medewerker van de Rotterdamse vestiging van Hermanos Weil.  Voor een vervolg op de Potemkin-film maakte Willy Münzenberg documentaire films uit de jaren 1929/1930 over het  vooroorlogse Rotterdam. Felix Weil anticipeerde op de kwetsbaarheid van de graanhandel en verlegde de zakelijke activiteiten naar elders. Daarvoor diende de Argentijnse firma Safico. Erazo Heufelder legt de link tussen de liquidatie van de Argentijnse firma Hermanos Weil en de oprichting van een Nederlandse naamloze vennootschap met diezelfde naam met een kapitaal van drie miljoen gulden. Ook geeft ze weer dat de Rotterdamse Belegging- en Beheermaatschappij ROBEMA onder leiding van Arthur Erich Nadel het instrument werd waarmee de familie Weil zijn Duitse bezittingen uit handen van de anti-joodse nationaal-socialisten zou houden. Ze paste mijn studie daarover naadloos in. Zij antwoordde toen ik een mail verstuurde aan de Argentijn Mario Rapoport, auteur van Bolchevique de salón (2014) over de Argentijnse aktiviteiten van Felix Weil. Als kind van een Duitse moeder en een vader uit Equador beweegt de etnoloog en documentairemaakster Erazo Heufelder zich soepel tussen talen en  kontinenten. 

Overdracht van vermogen                                                                           
De familie Weil was bovendien vanaf het eerste begin uiterst wantrouwend ten opzichte van het opkomende nationaal-socialisme. Als grootaandeelhouder van Hermanos Weil en van Safico vergde het alle kracht van Felix Weil om zeggenschap over zijn kapitaal te houden en het Institut für Sozialforschung naar het buitenland over te brengen, inclusief de fondsen die het Institut ondersteunden. Jeanette Erazo Heufelder slaagt erin de ingewikkelde financiële ferhoudingen helder uiteen te zetten. Ze geeft ook het belang weer familieverhoudingen – vader Hermann Weil had gerant gestaan voor de exploitatie van het Institut. Na zijn overlijden in 1928 ging die verplichting over op zijn beide kinderen, zoon Felix en dochter Anita. Druk bezig met het overhevelen van het kapitaal uit Duitsland raakt Felix Weil volstrekt ontredderd als de nieuwe echtgenoot van Anita, de medicus Herbert Hoffman, directe zeggenschap over het vermogen van Anita claimt en het kapitaal ook los wil maken uit de constructies die bedacht waren om het kapitaal voor nationaal-socialistische inmenging te vrijwaren. Hoffman valt Felix Weil langs juridische weg aan in Argentinië, de VS en Nederland. In Rotterdam voerde Hoffman uitputtende besprekingen met de leiding van Robema. Om deze aanval te pareren, maakte Felix Weil het Weil-kapitaal los van zijn persoon. Hij bracht zijn kapitaal onder in stichtingen, waarbij hij de zeggenschap grotendeels overdroeg aan Horkheimer en Pollock. Achteraf bleek dat niet nodig. Het Institut kon in New York worden voortgezet, door extra donaties van Felix Weil. Zijn financiële ruimte was daarmee opgesoupeerd. Om zijn doktersrekeningen te kunnen betalen, verkocht hij op latere leeftijd  het schilderij dat Georg Grosz van hem maakte.

Op het einde van zijn leven was Felix Weil ontevreden over de manier waarop de leiding van het Institut zijn rol wegzette. Hij wilde dat in een autobiografie corrigeren. Hij onderkende dat hij  uiteindelijk ambivalante gevoelens had ten opzichte van de beide vrienden Horkheimer en Pollock, met wie hij levenslang verbonden was in zijn betrokkenheid bij het Institut. Na zijn overlijden in 1975 typte echtgenote Anne Ducharry het manuscript over en zond het vanuit Amerika naar Fischer Verlag in Duitsland. Daar verscheen het niet. Voor een deel is het – uiterst leesbare - typoskript terechtgekomen in het Stadtarchiv van Frankfurt. Erazo Heufelder weet het complete typoscript in de cognac-bruine koffer tot 2011 in Duitsland te volgen. Daarna is is het spoorloos. Een toekomstige biograaf zou er veel aan kunnen hebben, zoals hij ook terug kan vallen op deze ‘kleine Wirtschafsgeschichte’. Bertus Mulder Auteur van  De Nazi’s te slim af zijn. Sophie Louisa Kwaak en het Kapitaal van de Frankfurter Schule, Bornmeer, 2015.