Frank van der Goes verdient beter

De commentaren bij het verschijnen van de biografie van Ron Blom over de Amsterdamse aristocraat Frank van der Goes, de ‘geestelijk vader’ van de SDAP, waren gemengd, maar misten vooral scherpte. Te weinig aandacht was er voor het opzet van de auteur Van der Goes neer te zetten als ‘westers marxist’. De biografie mist bovendien structuur en diepgang. Dat moet de teleurstellende conclusie zijn over deze poging een ‘high biography’ te schrijven die zich uitstrekt tot ‘vriendschapsbanden, seksualiteit en relaties, gezinsleven en vrije tijdsbesteding’. Frank van der Goes was de ‘aristocratische popularisator van het marxisme in Nederland’. Voor hij als sociaal-democraat politiek actief werd, behoorde hij tot de radicaal-liberale avant garde in Amsterdam. Hij was literator, toneelcriticus, actief in de literaire beweging van Tachtig en van 1885 tot 1893 redacteur van De Nieuwe Gids. Hij vertaalde Bellamy’s Looking Backward (1890), stimuleerde Wibaut tot het vertalen van de Fabian Essays en vertaalde zelf Marx’ Kapitaal.

Zijn Organische ontwikkeling der maatschappij legde een ideologische basis onder de in 1894 opgerichte SDAP. Hij was één van de twaalf apostelen, redacteur van De Nieuwe Tijd (1896– 1916) en daarna van De Socialistische Gids (1916-1927). Hij was privaatdocent aan de Universiteit van Amsterdam in de socialistische economie en redacteur buitenland van Het Volk. Van der Goes speelde een constituerende rol in de Nederlandse sociaal-democratie. Ynte Botke, die toen werkte aan een proefschrift over Van der Goes, was in 1979 duidelijk: na 1900 speelde Van der Goes geen leidende rol meer als marxistisch theoreticus. Eerder had Frits de Jong Edz. betoogd dat Van der Goes in 1914 alles gegeven had wat hij kon – ‘wat daarna kwam bracht niets wezenlijks nieuws’. En Johanna Welcker concludeerde dat Van der Goes door zijn materialistische denkwijze te weinig oog had voor de zelfstandige rol van de politiek; hij was blijven steken in een eenmaal omarmd darwinistisch kautskyanisme. Blom negeert de opvattingen van deze auteurs en beweert bovendien dat niemand hem als biograaf voorging.

Deze voorstudies hadden Blom kunnen helpen bij het structureren van de ongelooflijke hoeveelheid materiaal die hij moest verwerken. Maar ordening ontbreekt, met name in de eerste drie hoofdstukken. Blom switcht voortdurend in de tijd heen en weer en belemmert de lezer zicht te krijgen op de dynamiek in het denken van Van der Goes. Het gebrek aan structuur komt ook naar voren in de versnipperde manier waarop Blom de ‘relaties’ van Van der Goes behandelt. Zijn verloving met Catharine Perk, zijn omgang met Betsy van Vloten, het financieren van een maîtresse, frequent bordeelbezoek, kritiek van Van Eeden op zijn ‘immoreel gedrag’, zijn bezoeken aan Brussel met telkens een andere mevrouw Van der Goes – ze worden los van elkaar, zonder enig verband behandeld. En nog minder komt de vraag aan de orde hoe zich dit verhoudt met Van der Goes’ marxistische beschouwingen over prostitutie die Blom tweehonderd pagina’s verderop behandelt. Maar het meest getriggerd werd ik door de wijze waarop de voormalige trotzkist Blom de oudere Van der Goes wenst neer te zetten als een ‘westers marxist’ – de term is gewet door Perry Anderson.

Blom schrijft dat de kautskyaan Van der Goes na de Eerste Wereldoorlog gretig kennis nam van subjectivistische standpunten van Lenin, Trotzki, Lukács en Gramsci (p. 296). Kende Van der Goes het werk van Lukács? Was er enige kans dat hij van Gramsci had gehoord? Blom blijkt niet te weten of Van der Goes kennis had van ‘deze marxistische renaissance’ (p. 308). Bloms eigen ideologische insteek speelt hem hier parten. Dat komt vaker voor: Blom beroept zich op Marx 3e These über Feuerbach om de mening van Van der Goes te illustreren (p. 131). Maar kende Van der Goes deze tekst? Pikant is dat Troelstra in 1896 deze these gebruikt om zich te bevrijden van een door Van der Goes aangehangen determinisme. Nog zo’n Fremdkörper: de strijd in de SDAP tussen Troelstra en de Nieuwe Tijd-oppositie wordt in 1906 ten gunste van de partijleider beslecht. Zonder nadere onderbouwing ‘verklaart’ Blom de nederlaag van de Nieuwe Tijd-groep op leninistische wijze vanuit de opkomst van een nieuw type vakbondsafgevaardigden in de SDAP.

Tegelijk miskent Blom de betekenis van Van der Goes voor de Nederlandse sociaal-democratie. Wibaut en Van der Goes waren redacteuren van Het Weekblad, de 'oppositionele' bijlage van Het Volk (1908-1919), tevens het podium voor jongeren als Bob van Gelderen (Plan van de Arbeid), Sam de Wolff (conjunctuurpolitiek), Emanuel Boekman (de rol van kunst en de overheid) en Andries Sternheim (gezinsontwikkelingen). Deze leerlingen, ‘Weekbladmarxisten’, zochten naar nieuwe aangrijpingspunten om de werkende klasse te organiseren, te stimuleren en te emanciperen - en vluchtten niet, zoals Van der Goes, in een steriel Verbond van Revolutionair Socialisten.

(Socialisme en Democratie, jrg. 2013, p. 106-107)